Kenmerken van het Bovenscheldebekken
Fysische en ruimtelijke kenmerken zoals het reliëf, de bodem(erosie), het bodemgebruik en de aanwezigheid van watergebonden natuur zijn bepalend voor (het beheer van) de watersystemen van het bekken.
Reliëf
Het Bovenscheldebekken ligt in het heuvelachtige deel van Midden-België en heeft een reliëf dat toeneemt naar het zuiden. We onderscheiden in het bekken 2 regio’s met een verschillend type reliëf: de golvende zandleemstreek met in het zuidoosten onder meer de reliëfrijke Vlaamse Ardennen en in het zuidwesten het plateau van Tiegem, en de vlakkere zandstreek van de Vlaamse Vallei in het noorden.
De Zwalmstreek ligt in de Vlaamse Ardennen, het heuvelig gebied tussen Schelde en Dender. De hoogste heuvelrij van de Vlaamse Ardennen situeert zich nabij de gewestgrens (met o.a. de Kluisberg (ca. 140m) en de Muziekberg (ca. 150m).
De waterlopen van de reliëfrijke Vlaamse Ardennen stromen door sterk hellende valleien. Hierdoor is er bij hevige regen een versnelde afvoer van regenwater, wat vaak leidt tot wateroverlast in de meer stroomafwaartse gebieden.
Sinds de kanalisering en (her)kalibrering van de Boven-Schelde vormen de dijken een strakke scheiding tussen de rivier en haar vallei, waardoor overstromingen niet meer voorkomen in het winterbed van de Boven-Schelde .
Bodem
'Vooral leembodems'
Leembodems (30%) en zandleembodems (36%) zijn de meest voorkomende bodems in het Bovenscheldebekken.
Klei of zware kleibodems (samen 7%) komen vooral voor in de komgronden van de Scheldevallei, die de traditionele Scheldemeersen (overstroombare graslanden) vorm gaven. Zandbodems (7%) komen voornamelijk in het noorden van het bekken voor, ter hoogte van de linkeroever van de Boven-Schelde. Antropogene bodems maken 11% uit van de oppervlakte van het bekken.
De vallei van de Boven-Schelde wordt vooral gekenmerkt door jonge bodems zonder profielontwikkeling. Deze bodems zijn van nature nat tot zeer nat ten noorden van de grens tussen de leem- en zandleemstreek. ‘Natte’ bodems komen verspreid voor in het bekken. Op de plateaus en op de valleiwand zijn de grondwaterstanden veelal lager en variëren deze meer in de loop van de seizoenen. Deze gronden zijn meestal droog tot zeer droog.
De textuurklasse van de bodem geeft een richtwaarde voor het vochtophoudend vermogen en de doorlaatbaarheid van de bodem, wat een invloed heeft op de infiltratie en erosiegevoeligheid.
Bodemgebruik
'Lintbebouwing en verspreide bebouwing'
De open ruimte in het Bovenscheldebekken wordt vooral ingenomen door akker- en tuinbouw en grasland (60% van de oppervlakte). De akker- en tuinbouw komt verspreid voor in het bekken, de graslanden (30% van het landbouwareaal) liggen vooral in de valleien van waterlopen.
Het Bovenscheldebekken is matig verstedelijkt, ongeveer een vijfde van de oppervlakte is bebouwd of verhard.
De bebouwing concentreert zich voornamelijk in de stedelijke kernen (Oudenaarde, Ronse, Zottegem), maar in de rurale gebieden is er ook veel verspreide bebouwing (kleine woonkernen) en lintbebouwing.
De sterke toename van de verharde oppervlakte hypothekeert in bepaalde gebieden de infiltratiecapaciteit en zorgt voor een versnelde afvoer van het water.
Watergebonden natuur-ecologie
In het Bovenscheldebekken komen verschillende beschermde vissoorten (zoals kwabaal, beekprik, beekforel, bittervoorn en rivierdonderpad) en beschermde amfibieën (zoals kamsalamander en vuursalamander) voor.
Vooral de Vlaamse Ardennen zijn rijk aan waterrijke gebieden en terrestrische gebieden die afhankelijk zijn van het watersysteem.
Tal van beekbegeleidende bossen en bronbosjes komen voor in de regio Kluisberg tot Koppenberg, het Bouvelobos, de Steenbergse bossen, het Bos ’t Ename en de Vaarttaluds in Moen.

