Kenmerken van het Denderbekken
Fysische en ruimtelijke kenmerken zoals het reliëf, de bodem(erosie), het bodemgebruik en de aanwezigheid van watergebonden natuur zijn bepalend voor (het beheer van) de watersystemen van het bekken.
Reliëf
'Van Scheldevlakte tot Vlaamse Ardennen'
Het Denderbekken ligt in het heuvelachtige deel van Midden-België en strekt zich uit over drie regio’s met een verschillend type reliëf: in het zuidwesten de uitlopers van de Vlaamse Ardennen, in het midden het golvende landschap van de leemstreek met onder meer het Pajottenland, en in het noorden aan de monding van de Dender de vlakkere zandleemstreek.
De hoogte binnen het Denderbekken neemt toe van noord (3m TAW) naar zuid (tot boven 100m TAW). De zuidwest-noordoost georiënteerde heuvelruggen van de Vlaamse Ardennen bevatten de hoogste punten van het Denderbekken, maar ook het glooiende landschap van het Pajottenland kent hoogtes van wel 100m TAW.
Typerend voor waterlopen in de Vlaamse Ardennen is dat ze door vrij brede maar diep uitgesneden valleien stromen.
Het sterke reliëf is de belangrijkste reden voor wateroverlast in het Denderbekken. Een hevige regenbui in combinatie met het steile verval zorgt namelijk voor een sterke, kortstondige was met grote snelheid en hoog debiet.
Bodem
'Leem op de hellingen, zandleem in de valleien'
In het Denderbekken komen vooral leembodems (62%) en zandleembodems (28%) voor.
De leemgronden zijn hoofdzakelijk te vinden op de hellingen en plateaus. De zandleemgronden zijn typisch voor de Dendervallei en de valleien van de benedenlopen van de Bellebeek, Molenbeek-Pachtbosbeek en de Mark en voor het noorden bij de monding van de Dender en in het stroomgebied Vondelbeek. Het aandeel kleibodems is beperkt(3%), en komt voor in de onmiddellijke nabijheid van de waterlopen.
Het overgrote deel van de bodems in het bekken zijn droog tot vochtig (resp. 31% en 45%). Natte bodems komen relatief weinig voor (11,9%). De textuurklasse van de bodem geeft een richtwaarde voor het vochtophoudend vermogen en de doorlatendheid van de bodem, hetgeen een impact heeft op infiltratie en erosiegevoeligheid.
Bodemgebruik
'Sterk verstedelijkt Denderlint'
De open ruimte in het Denderbekken wordt vooral ingenomen door landbouw, goed voor 51,5% van de totale bekkenoppervlakte. Grasland is binnen het landbouwareaal goed voor ca. 43%, akkerbouw voor ca. 50%. Akkerbouw komt meestal voor op de valleiflanken en heuvelruggen, de graslanden nabij de waterlopen en in hun valleien. De landbouwactiviteiten zijn uitgesproken aanwezig ten zuiden van Aalst.
Ongeveer een kwart van het bekken is verstedelijkt: bijna 16% door woongebied, bijna 10% door industrie- en weginfrastructuur . De bebouwde en verharde oppervlakten vormen niet enkel grote gebieden, maar sluiten ook sterk op elkaar aan. De verstedelijking concentreert zich in en rondom de Dendersteden Dendermonde, Aalst, Denderleeuw / Liedekerke, Ninove en Geraardsbergen. Alomtegenwoordig in het bekken vallen de vele lintbebouwingen en verspreide bebouwing op, en deze bepalen zo mee het uitzicht voor het grootste deel van het Denderbekken.
Het bosareaal is zeer beperkt en daarenboven ook sterk versnipperd. Het Liedekerkebos, het Raspaillebos (Geraardsbergen), het Neigembos (Ninove) en het Osbroek (Aalst) zijn belangrijke bosgebieden in het bekken.
De grootste industrie- en KMO-zones liggen langs de Dender, in de buurt van Aalst, Ninove en Geraardsbergen. Zware industrie komt amper voor in het Denderbekken.
De sterke toename van verharde oppervlakte verspreid over het volledige Denderbekken hypothekeert in bepaalde gebieden de infiltratiecapaciteit van de bodem en zorgt voor een versnelde afvoer van het water. In sommige intensieve landbouwgebieden daalt de grondwatertafel sterk door drainages waardoor het waterconserverend vermogen van de bodem teniet wordt gedaan.
Watergebonden natuur-ecologie
In het Denderbekken komen verschillende al dan niet beschermde vissoorten voor zoals driedoornige stekelbaars, rivierdonderpad, bermpje, paling, bittervoorn, etc.
Waterrijke gebieden en terrestrische gebieden afhankelijk van het watersysteem komen voornamelijk voor in de Dendervallei tussen Ninove en Geraardsbergen, waar er nog vrij uitgestrekte meersengebieden te vinden zijn, en in de valleien van de Molenbeek-Pachtbosbeek, Mark en Molenbeek Terkleppebeek. Kenmerkend in het zuidelijke deel van het bekken zijn de ecologisch waardevolle bronbosjes en beekbegeleidende bosjes.
