Kenmerken van het bekken van de Brugse Polders
Fysische en ruimtelijke kenmerken zoals het reliëf, de bodem(erosie), het bodemgebruik en de aanwezigheid van watergebonden natuur zijn bepalend voor (het beheer van) de watersystemen van het bekken van de Brugse Polders.
Reliëf
'Op het raakvlak van twee landschappen'
De hoogte binnen het bekken van de Brugse Polders varieert tussen 0 en 50 m TAW.
Het noordelijk gelegen poldergebied vertoont een micro-reliëf van kreekruggen en lagergelegen poel- of komgronden (0 - 5 m TAW). De polderwaterlopen hebben weinig verval, zijn relatief ondiep en voeren het overtollige hemelwater gravitair af naar zee. Er kan alleen geloosd worden als het peil in de polderwaterlopen hoger staat dan het zeepeil.
Het zuidelijke deel van het bekken behoort tot de zandstreek bestaande uit de Vlaamse Vallei met zijn dekzandruggen en cuesta's en het interfluvium tussen de kustvlakte en de Leie. De afwatering gebeurt door het nog relatief natuurlijke bekenstelsel in de zandstreek ten zuiden van Brugge.
Hier stromen de typische laaglandbeken. Ze zijn van nature ondiep ingesneden, kennen een klein verval en een geringe stroomsnelheid wat ze reeds vanaf de bovenloop een min of meer meanderend verloop geeft (vb. Jabbeekse Beek, Kerkebeek, Rivierbeek-Hertsbergebeek, Sint-Trudoledeken, Ede).
Bodem
'Vooral zand en lemig zand'
Zand en lemig zand (51%) is de dominerende bodemsoort voor het zuidelijke deel van het bekken. Lichte zandleem en zandleem zijn kenmerkend voor het uiterste zuiden (plateau van Tielt) en zuidoosten van het bekken. Ook enkele lichtere kreekruggronden in de polders hebben een zandleem textuur.
Alluviale bodems van klei en zware klei nemen samen 25% van de oppervlakte in. Ze zijn typerend voor poldergebied welke ontstaan zijn door afzetting van slib van uit de zee.
Veen (3,75%) komt voornamelijk voor in poldergebied
De bodems in het bekken zijn overwegend matig tot zeer nat.
Typerend voor de bovenlopen in de zandstreek zoals de Kerkebeek, Rivierbeek, Ede, Sint-Trudoledeken is het voorkomen van stuwwatertafels op een diepte van circa 75 cm. Door de sterk schommelende grondwatertafel zijn deze bodems zeer nat in de winter en zeer droog in de zomer. Men spreekt ook van hangwatertafels.
Bodemgebruik
'Landbouw en kusttoerisme'
De sector landbouw is sterk aanwezig in het bekken van de Brugse Polders, waarbij het landbouwareaal meer dan de helft (58%) van de totale oppervlakte inneemt. Binnen dit areaal domineren graslanden (39%) en maïsteelt (27%). De graslanden zijn vooral sterk aanwezig in de lagergelegen kustpolders.
Het bekken van de Brugse Polders kent een matige verstedelijkingsgraad maar een hoge graad van verharding. 10 % van de oppervlakte is bestemd voor wonen, 13% voor industriële activiteiten Bebouwd terrein concentreert zich vooral langs de kustlijn en de stadskern van Brugge en haar agglomeraties.
In de zandstreek valt de vele lintbebouwing op langs verbindingswegen tussen woonkernen en verspreide bebouwing. Het landelijke gebied is hierdoor sterk versneden. Ook de landbouw is er sterk versnipperd. Industrie- en KMO- zones komen verspreid voor in een aantal gemeenten zoals Zedelgem, Oostkamp, Beernem, Maldegem en Eeklo.
De weinige bossen in het bekken situeren zich vooral ten zuiden van Brugge.
De kustlijn is grotendeels volgebouwd en staat onder sterke toeristische druk, wat zich vooral in toeristische piekperiodes vertaalt in een verhoogde drinkwatervraag en een sterke toename van de afvalwaterproductie.
Het poldergebied achter de kustlijn is agrarisch, met verspreid kleinere polderdorpen en boerderijen. Enkel in en om de havens en langs het kanaal in Oostende is er zware industrie.
De sterke toename van verharde oppervlakte (o.a. in de duinengordel langsheen de kust, bijkomende woonwijken in het ganse bekken) hypothekeert in bepaalde gebieden de infiltratiecapaciteit en zorgt voor een versnelde afvoer van het water. Ook ruilverkavelingen 'oude stijl' (o.a. regio Ruddervoorde, Wingene), schaalvergroting in de landbouw en de omzetting van (permanente) graslanden in akkerbouw heeft op vele plaatsen de infiltratiecapaciteit van de bodem doen verminderen. In sommige intensieve landbouwgebieden daalt de grondwatertafel sterk door drainages en ontwatering via de polderwaterlopen waardoor de sponswerking van de bodem sterk afneemt.
Het bodemgebruik beïnvloedt het watersysteem zowel kwantitatief (neerslagoverschot, voeding van de diepere watervoerende pakketten, verdamping), als kwalitatief (productie van huishoudelijk en industrieel afwater, uitspoeling van meststoffen en pesticiden,…)
Watergebonden natuur-ecologie
Het bekken van de Brugse Polders is in vergelijking met de meer oostelijke bekkens van Vlaanderen eerder arm aan natuurgebieden en Speciale Beschermingszones. Toch herbergen de kustpolders heel wat waardevolle plantensoorten en weidevogels (o.a. in de Uitkerkse Polders, Meetkerkse Moeren, Dudzeelse Polders). De nabijheid van de zee drukt een zilte stempel op de vegetatie.
De grondwaterstanden spelen er een belangrijke rol doordat ze beperkt beïnvloed worden door de gehanteerde peilen in de polderwaterlopen (vb. drainages of intensieve ontwatering zorgen voor verdroging).
Daarnaast zijn er in de zandstreek nog belangrijke waterrijke weidecomplexen (o.a. de Assebroekse meersen, de Gemene en de Loweiden), dotterbloemgraslanden (vallei van de Bergbeek) en waardevolle beekvalleien (o.a. de Rivierbeek, de Waardammebeek, de Hertsbergebeek) aanwezig.
