Kenmerken van het Dijle-Zennebekken
Fysische en ruimtelijke kenmerken zoals het reliëf, de bodem(erosie), het bodemgebruik en de aanwezigheid van watergebonden natuur zijn bepalend voor (het beheer van) de watersystemen van het bekken.
Reliëf
'Uitgesproken reliëf'
Het reliëf in het Dijle-Zennebekken is heel gevarieerd: het zuidelijk deel heeft een uitgesproken reliëf, het noordelijke deel is relatief vlak.
In het bekken worden hoogtes teruggevonden tussen 2 m en 139 m TAW. De leemruggen en plateaus zijn er van elkaar gescheiden door diep ingesneden beekvalleien en depressies. Opvallend zijn de overwegend brede valleien van de Dijle en Zenne (lokaal meerdere kilometers breed). Het Zennedal te Halle is zeer smal (enkele honderden meter) omdat de bedding daar in harde primaire lagen is uitgeschuurd.
De Dijle en de bovenlopen (Laan, IJse, Voer, Nethen, Molenbeek en Vunt) worden voornamelijk door bronnen gevoed. Deze beken stromen door steile valleien, wat zorgt voor een snelle afvoer van het water. De beken in de zand- en zandleemstreek stromen door een vlak gebied en vertonen dan ook meer kenmerken van de typische laaglandbeken met een kleiner verval: lagere stroomsnelheden, brede overstromingsvlakten en vrijwel geen voeding door bronnen. Hierdoor wordt de afvoer vertraagd, wat het gebied gevoelig maakt voor overstromingen. Daarenboven maakt het feit dat deze beken uitmonden in het deel van de Dijle waar nog getijdewerking is, deze afvoer nog extra moeilijk.
Bodem
'Vooral leem en zandleem'
De meeste bodems (43%) in het Dijle-Zennebekken zijn leembodems (Brabantse leemstreek). Deze komen voor in het zuidelijke deel van het bekken. Ook zandleembodems komen vrij vaak voor (bijna 20%), voornamelijk in het Hageland, tussen de Zenne en het Zeekanaal Brussel-Schelde, en afwisselend met leembodems in de driehoek Vilvoorde-Kortenberg-Haacht. Lichte zandleembodems komen in het noorden en oosten van het bekken voor en dit voornamelijk in de valleien.
De plateaugronden zijn meestal droog tot zeer droog, terwijl de valleien en de komgronden van nature nat tot zeer nat zijn. Door het aanleggen van een intensief drainagenetwerk zijn de komgronden vaak deels ontwaterd. De ‘zeer natte’ bodems vinden we vooral in de valleien van de Dijle en de Zenne, en ten noorden van de grens tussen de leem- en zandleemstreek. ‘Natte’ bodems zijn verspreid te vinden in het bekken, voornamelijk rond de bovenlopen van waterlopen, in de valleigebieden en ook in ongeveer het ganse zuidwesten van het bekken.
Op de plateaus en op de valleiwand variëren de grondwaterstanden meer in de loop van de seizoenen. Hierdoor treedt uitloging op, zodat onder de (zand)leemlaag vaak een zone ontstaat die aangerijkt is met klei en/of ijzer.
Bodemgebruik
'Sterke verstedelijking'
In vergelijking met de andere bekkens in Vlaanderen is de verstedelijkingsgraad het hoogst in het Dijle-Zennebekken 34%. . De bebouwing komt in hoofdzaak voor ter hoogte van de steden: rondom het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (o.a. Machelen, Zaventem, Vilvoorde), rond Leuven en rond Mechelen. De bebouwde of verharde oppervlakten vormen niet enkel grote gebieden maar sluiten ook sterk op elkaar aan. In het noordoostelijke gedeelte van het bekken vallen de lintbebouwing en verspreide bebouwing op.
De sterke toename van verharde oppervlakte in het hele bekken, zeker rond het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hypothekeert in bepaalde gebieden de infiltratiecapaciteit en zorgt voor een versnelde afvoer van het water. Ook ruilverkavelingen, schaalvergroting in de landbouw en de omzetting van (permanente) graslanden in akkerbouw hebben op vele plaatsen de infiltratiecapaciteit van de bodem doen verminderen en de oppervlakkige sedimentafvoer doen toenemen.
De fractie landbouw is in vergelijking met de andere bekkens in Vlaanderen het kleinst (34%). Ongeveer één derde hiervan is ingenomen als grasland en twee derde wordt gebruikt voor akkerbouw. Een groot deel van het akkerland komt voor in het Pajottenland en het Hageland tussen de steden en lintbebouwingen in. Ten noorden van de Dijle-Demer is de akkerbouw minder intensief. Grasland komt vooral voor op de nattere gronden langs de verschillende waterlopen en op steilere valleihellingen.
Het Dijle-Zennebekken telt nog verschillende grote bosgebieden (16%): het Zoniënwoud, het Hallerbos, het Meerdaal- en Mollendaalbos en het Heverleebos.
Watergebonden natuur-ecologie
In het Dijle-Zennebekken komt nog relatief veel natuur voor. De meeste waardevolle natuurgebieden vinden we hier terug in de valleigebieden.
Belangrijke (watergerelateerde) natuurgebieden situeren zich in de valleien van Dijle, Laan en IJse opwaarts Leuven, met o.a. de Doode Bemde. Ook in het bekken van de Weesbeek en de Leibeek-Laakbeek komt met het Silsombos, Torfbroek, Kastanjebos en Molenbeekvallei veel natte natuur voor. Verder komen langs de Zuunbeek, de Molenbeek-Parkbeek en de afwaartse delen van de Dijle nog belangrijke watergerelateerde natuurwaarden voor. De waterloopjes in het Hallerbos zijn vanuit ecologisch oogpunt zeer waardevol. Ook het Zoniënwoud is, als brongebied van de IJse, belangrijk naar water toe.
