Vlaanderen integraalwaterbeleid.be
Home > Publicaties > Documenten > Code van goede natuurpraktijk voor waterlopen > Vraag 7

Vraag 7

Welke zijn de vereiste fysische eigenschappen waaraan bagger- en ruimingsspecie moet voldoen voor het gebruik als bodem?

 

Wat de criteria voor grondstoffen bestemd voor het gebruik als bodem betreft, verwijst VLAREMA (artikel 2.3.3.1.) in de eerste plaats naar de voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem zoals vermeld in artikel 161 [...] en artikel 162 van het VLAREBO. Artikel 161 van het VLAREBO verwijst naar de chemische samenstelling, artikel 162 naar de fysische eigenschappen:

1° het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, bedraagt maximaal vijf massaprocent;

2° de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, is niet groter dan vijftig millimeter. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund volgens rubriek 60 van bijlage 1 van Vlarem I, kunnen, behalve voor de bovenste laag van 150 cm, de stenen die niet van nature aanwezig zijn, een afmeting van maximaal tweehonderd millimeter hebben, op   voorwaarde dat het gehalte aan die grotere stenen maximaal één massaprocent bedraagt;

3° het gehalte aan andere bodemvreemde materialen bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.

Deze fysische eigenschappen worden ook opgesomd in de overzichtsschema's met de criteria voor hergebruik van bagger- en ruimingsspecie die zijn terug te vinden in hoofdstuk 1 van de code van goede praktijk.

Integraalwaterbeleid.be is een officiële website van de Vlaamse overheid